Verwerkingsvragen 2 Kor. 5:11-21

Verwerkingsvragen bij 2 Korintiërs 5:11-21
1. Paulus spreekt met het gezag van een apostel. Waarom is het zo belangrijk dat hij geaccepteerd wordt als gezondene van Jezus Christus? Kun je dat ook doortrekken naar het ambt in de kerk?

2. Kun je de woorden “verzoening” en “rechtvaardiging” aan een ander uitleggen? Wat betekenen die woorden?

3. De woorden “verzoening” en “rechtvaardiging” passen bij elkaar als sleutel en slot. Het is allebei het werk van God. God is het die verzoent en rechtvaardigt. Waar komt ook de activiteit van de mens bij kijken? En hoe?

4. In Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus komt de rechtvaardiging door het geloof aan de orde. Hoe zie je dat rechtvaardiging en verzoening daar in elkaar passen als sleutel en slot? Wat heb je daar zelf aan?

5. In Israël vierde met de Grote Verzoendag. In Leviticus 16 vinden we wat op die dag moest gebeuren. Wat zegt dat je vandaag nog over de noodzaak tot verzoening tussen God en ons?

6. Sommige christenen zeggen dat iedereen gered wordt. Ze hangen de leer van de alverzoening aan. Waarom is uit dit gedeelte wel duidelijk, dat die leer niet bijbels is?

7. Paulus schrijft dat God Jezus Christus één gemaakt heeft met de zonde, terwijl hij de zonde niet kende. Vs 21. Hoe blijkt daaruit de liefde van God voor zondaren?