Verwerkingsvragen 2 Koningen 2

VERWERKINGSVRAGEN 2 KONINGEN 2
1. Elia is profeet van de HEER. Hij ging gekleed in een ruwharen mantel. Wat is de betekenis van die mantel?
2. Het einde van Elia komt. Hij weet dat zelf ook. Hoe ben je er zelf mee bezig, omdat je weet dat ook voor jou het einde hier op aarde komt?
3. Elia is gehoorzaam op reis gegaan van Gilgal naar Betel, van Betel naar Jericho, van Jericho naar de Jordaan. Elisa bleef zijn meester trouw en ging met hem mee, terwijl Elia alleen wilde gaan. Waarom zou Elisa toch steeds met Elia meegegaan zijn?
4. Onder het oude verbond zie je dat koningen en profeten de Geest van de HEER ontvangen voor hun opdracht. Waaruit blijkt dat Elisa de geest van Elia heeft geërfd?
5. Elisa heeft ook later de hemelse legers van vurige engelen en strijdwagens gezien, toen hij in zijn woonplaats Dotan door de Arameeërs werd belegerd. God stond aan zijn kant. Welke bemoediging gaat er van uit, dat Elisa Elia naar de hemel heeft zien gaan?
6. Elisa was verdrietig om het heengaan van zijn Meester. Hij scheurt zijn kleren als teken van rouw. ‘Mijn vader, mijn vader’, roept hij uit. Welke band heb je met de hemelse Vader? En wat heeft je eigen vader daarin betekend voor je?
7. Elia is samen met Mozes later verschenen aan Jezus, toen hij op de berg van de verheerlijking was. Beide voorgangers zijn op bijzondere wijze door God van de aarde weggenomen. Jezus moest wel sterven aan het kruis om de dood voor ons te overwinnen. Hij is wel in een graf gelegd. Waarom moeten wij nog wel sterven, terwijl Jezus toch de overwinning op de dood al heeft behaald?

Verwerkingsvragen 2 Koningen 1

VERWERKINGSVRAGEN 2 KONINGEN 1
1. Wat kan de reden zijn dat koning Achazja nu een afvaardiging zendt naar een afgod in Ekron Baäl-Zebub? Hij vereerde toch al andere afgoden?
2. Hoe kan het dat koning Achazja zo hardnekkig blijft weigeren om de HEER, de God van Israël te erkennen?
3. Ik las in een verklaring, dat het ook kan zijn dat Elia zelf te ver ging door vuur uit de hemel te laten komen, omdat hij daartoe geen rechtstreekse opdracht krijgt. Waarom denk je dat die uitleg niet juist is?
4. De toorn van God door vuur uit de hemel te werpen en zoveel mannen te treffen, stelt ons vandaag voor grote vragen. Wie is God, dat hij zo toornt over de zonde? Hoe komt het dat zoveel mensen vandaag met die oordelen van God uit het OT zoveel moeite hebben?
5. Kan het vuur van de toorn van God ook vandaag nog zo oplaaien, dat veel mensen erdoor worden verteerd? Waar denk je dan aan?
6. Heel de aarde zal niet meer worden verwoest door een grote zondvloed, zoals in de dagen van Noach. Maar aan het eind van de tijd zal het vuur van God de aarde zuiveren van alle kwaad. Johannes de Doper zegt over Jezus in Mat.3: 11 “Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.“ Wat is het vuur dat Jezus bedoelt? Wat heeft de komst van de Geest te maken met het oordeel van God over deze wereld?
7. Eerbied en ontzag voor God betekent ook eerbied voor degene die Hij zendt. Geldt dat vandaag nog? Waarom wel/niet?

Verwerkingsvragen 1 Koningen 19: 1-18

Verwerkingsvragen 1 Koningen 19;1-18
1. Vergelijk de verschijning van de HEER aan Elia met de verschijning aan Mozes in Exodus 34. Wat valt je op?
2. Elia wil liever sterven dan nog langer blijven leven. Hoe is dat te rijmen met zijn vluchten om zijn leven te redden?
3. Elia voelt zich de enig overgeblevene. Hij uit zijn klachten tot God. Waarom is dat zo belangrijk dat hij dat doet?
4. Is de 40 dagen en 40 nachten in de woestijn letterlijk te nemen? Wat is de symbolische waarde?
5. God schakelt Elia in om zijn oordelen ten uitvoer te brengen. Zou jij je daarvoor laten inschakelen?
6. Wat doen de tekenen van Gods verschijning met jou? Hoe leer je God eruit kennen?
7. Elia krijgt moed en kracht van God om door te gaan. Merk je dat in eigen leven ook?
Vriendelijke groet en goede zondag,
Ds Henk Jan Visser

Verwerkingsvragen 1 Koningen 18:1-16 / 7 juni 2020

VERWERKINGSVRAGEN BIJ 1 KONINGEN 18: 1-16

1. Obadja heeft van zijn vroegste jeugd al ontzag voor de HEER. Wat betekent het dat je ontzag hebt voor de HEER?

2. Elia komt naar Obadja toe om zich bij de koning te laten aandienen, waarom zou hij niet rechtstreeks naar Achab zijn gegaan?

3. Obadja had een topfunctie in het paleis van de goddeloze koning en koningin. En toch gebruikt hij zijn positie om 100 profeten te redden van de dood. Wat zegt dit over Obadja?

4. Vandaag zijn er ook genoeg christenen, die vervolgd worden en niet altijd vrijuit over hun geloof kunnen spreken. Wat zouden wij voor hen kunnen doen?

5. Kijk eens op www.opendoors.nl. Hoe sta je tegenover deze organisatie?

6. Obadja maakt eerst heel wat bezwaar voordat hij gehoor geeft aan de opdracht van Elia. Is dat niet juist een blijk van gebrek aan vertrouwen in God? Als je ontzag voor God hebt, kun je dan nog wel angstig zijn?

7. Obadja toont zich een ‘dienaar van de HEER’. Hoe ben je zelf bezig om als dienaar van de HEER te leven.

Verwerkingsvragen Pinksteren

Verwerkingsvragen Handelingen 2:37-39
1. De Geest is uitgestort met machtige tekenen. Wat zeggen die tekenen over de persoon van de Geest?
2. De belofte is voor allen die geloven en voor hun kinderen en voor allen, die ver weg zijn en die de Heer tot zich zal roepen. Over welke belofte gaat het? En waarom is dit een sterke tekst voor fundering van de kinderdoop?
3. Wat is het belang van de gave van de Geest? Wordt die ons voor de bekering of na de bekering geschonken?
4. Welke activiteit van de Geest was er voor de uitstorting van de Geest op de Pinksterdag? Wat is het extra van de uitstorting van de Geest?
5. Op de prediking van Petrus komen ze tot inkeer en vragen ze zich af: ‘Wat moeten wij doen, mannen broeders?’ Waarom is dit een goede vraag? Stel je die vraag ook zelf regelmatig?
6. Het evangelie is na Pinksteren overal gebracht. Ook wij hebben het gehoord. Wat doe je zelf om het evangelie verder door te geven?
7. Jezus heeft gezegd: ‘Stromen van levend water zullen uit je binnenste voortkomen voor wie gelooft.’ Wat merk je daar zelf van?

Verwerkingsvragen 2 Kor. 5:11-21

Verwerkingsvragen bij 2 Korintiërs 5:11-21
1. Paulus spreekt met het gezag van een apostel. Waarom is het zo belangrijk dat hij geaccepteerd wordt als gezondene van Jezus Christus? Kun je dat ook doortrekken naar het ambt in de kerk?

2. Kun je de woorden “verzoening” en “rechtvaardiging” aan een ander uitleggen? Wat betekenen die woorden?

3. De woorden “verzoening” en “rechtvaardiging” passen bij elkaar als sleutel en slot. Het is allebei het werk van God. God is het die verzoent en rechtvaardigt. Waar komt ook de activiteit van de mens bij kijken? En hoe?

4. In Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus komt de rechtvaardiging door het geloof aan de orde. Hoe zie je dat rechtvaardiging en verzoening daar in elkaar passen als sleutel en slot? Wat heb je daar zelf aan?

5. In Israël vierde met de Grote Verzoendag. In Leviticus 16 vinden we wat op die dag moest gebeuren. Wat zegt dat je vandaag nog over de noodzaak tot verzoening tussen God en ons?

6. Sommige christenen zeggen dat iedereen gered wordt. Ze hangen de leer van de alverzoening aan. Waarom is uit dit gedeelte wel duidelijk, dat die leer niet bijbels is?

7. Paulus schrijft dat God Jezus Christus één gemaakt heeft met de zonde, terwijl hij de zonde niet kende. Vs 21. Hoe blijkt daaruit de liefde van God voor zondaren?